Prof. Dr. (Hans) Boutellier on “Jazzy” new ways of working

Hans Boutellier  is, among many other things, executive director of the Verwey-Jonker Institute and Professor in Safety and Citizenship at the VU University in Amsterdam. Last Sunday he spoke at the Rietveld Architectural Award ceremony in the Netherlands. Boutellier thinks “organized freedom” is the new way of working. It’s a symbiosis of contradictions: innovation and conservatism. Big failures and glorious successes. Harmony and noise. All these contradictions are there, fighting for a place.

Boutellier: “Maybe the only way to make the most of this situation, is to improvise in an organized way. “Light leadership” is needed.”

If this is too vague for you, think Jazz. Boutellier finds Jazz the ultimate form of organized improvisation.

He wrote a book about ‘organized freedom':  ‘The Improvisation Society“. Our conclusion: we don’t need CEO’s with grande visions and providing structures. We need CEO’s and managers who facilitate, make people tune in on each other, collaborate and -at the same time- create borders. And these new jazzy companies need a working environment that embraces their organized chaos.

Sorry, Boutellier’s speech is in Dutch only:

 

Samenspel of takkenherrie

Gesproken column ter gelegenheid van de uitreiking van de Rietveldprijs 2011 voor het gebouw Creative Valley op 27 november te Utrecht.

Hans Boutellier

Voor wetenschappers is  ‘nieuw werken’ een niet onproblematische term. Zij wantrouwen het sowieso als iemand iets nieuws claimt. Maar ze wérken ook liever niet nieuw. Wetenschappers voelen zich veilig achter stapels boeken en rapporten, die er drie maanden geleden, iets anders gerangschikt, ook al lagen. En na tien, twintig jaar stapelen is het heel moeilijk om uit zo een zorgvuldig opgebouwde kuil te klimmen. De wetenschappelijke habitus verzet zich enigszins tegen ‘nieuw werken’.

Zo staat er op de campus van de Vrije Universiteit een nieuw, volledig flex ingericht gebouw, waar een groep van veertig onderzoekers  weigert zich te voegen naar de grillen van de architect. Tegen de glazen wanden van de flexkamers staan zelfingebrachte grenenhouten boekenrekken en in de vrolijk beschilderde ontmoetingsruimte zijn ijskoud drie bureaus neergezet. Men houdt angstvallig vast aan zeer krap bemeten, maar … eigen werkplekken.

Het ziet er daar niet bepaald uit als een gebouw dat ‘om de gebruiker heen is gevlochten’, zoals Anne Luijten over dit schitterende pand Creative Valley schrijft. Hier is eerder sprake van een vuile oorlog tussen  architect en gebruikers. Ik kies geen partij, maar constateer dat ‘nieuw werken’  – in ieder geval bij bestaande organisaties óf misschien vooral bij wetenschappers – zorgvuldige begeleiding behoeft. Hoe wij dat bij het Verwey-Jonker Instituut in ons 17e eeuwse pand probleemloos hebben gedaan, vertel ik u graag bij de borrel.

Wat is er aan de hand? Ik denk dat de strijd over nieuw werken symbool staat voor onze samenleving. We laveren tussen vitale uitbundigheid en een neiging tot behoud. Neem het uitgaansleven, de commerciële televisie, de verheerlijking van fitheid en vitaliteit … extreme sports. Daar tegenover de roep om veiligheid, bescherming en het terugverlangen naar een ‘heartland’, dat er overigens nooit is geweest. We ervaren chaos en willen ordenen. We pendelen tussen de verleidingen van de vloeibare samenleving (een begrip van de socioloog Zygmunt Bauman) en de behoefte om die onder controle te krijgen.

Het is alom ambivalentie wat de klok slaat.  Wat is chaotischer: de puinhoop op de wetenschappelijke bureaus of de clean desks in de Creative valley? Ik zou het niet weten. Ik geloof ook niet in een eenduidige tegenstelling tussen creatieve kosmopolieten en laagopgeleide verliezers. Daarvoor lopen de verlangens, behoeften en capaciteiten teveel door elkaar. We zijn allemáal innerlijk verscheurden. We willen regels, waar anderen zich aan moeten houden. We maken graag avontuurlijke reizen, in een airconditioned bus. En we snakken naar leiders waar we niet naar hoeven luisteren.

We laven ons aan creativiteit, innovatie en uitbundigheid, maar kiezen graag voor de zekerheid van het bestaande als het erop aankomt. We doen enthousiast mee in een grenzenloze wereld, maar vragen ons ’s nachts angstvallig af waar die eindigt. Hoe kunnen we de gelijktijdige angst voor de chaos en de sensatie van het nieuwe begrijpen? Kunnen we ons een voorstelling maken van een nieuwe sociale orde? Schuilt er in de ogenschijnlijke chaos misschien meer organisatie dan we denken? Zien we niet iets over het hoofd? Waar is het nieuwe werken eigenlijk een oplossing voor?

In een interview in De Groene Amsterdammer sprak de jazzgitarist Lionel Lonneke over zijn muziek als georganiseerde vrijheid. Die eenvoudige typering van een overigens mij volstrekt onbekende musicus trof mij als een mokerslag. Organisatie en vrijheid. Spontaniteit en orde. Vaste akkoordenschema’s en individueel excelleren. Deel zijn van de muziekgeschiedenis en klinken als nooit tevoren. Duidelijke rollen die zichzelf in samenspel overstijgen. Instrumenteel vakmanschap in een scheppend proces. Ruimte krijgen op basis van licht leiderschap.  Geïmproviseerde jazz is zo bezien misschien wel de hoogste denkbare vorm van organisatie!

Vanuit dit inzicht schreef ik mijn boek ‘De improvisatiemaatschappij’ over een samenleving die zich niet langer organiseert vanuit grote visies en structuren, maar vanuit samenspel, afstemming, faciliteren en begrenzen. Met de energie van het vernieuwen en het verzet van het behouden. Waarin grote mislukkingen gepaard gaan aan glorieuze projecten. We vormen een creative valley waarin schitterend samenspel  en wezenloze takkenherrie om de voorrang strijden.

 

—-

 

 

Leave a comment